Biografie

 

 

Een levensbeschrijving van Peer van den Molengraft is in de jaren voorafgaand aan de publicatie in 1987, minutieus door Peter Thoben opgetekend als onderdeel van een rijk geïllustreerd boek geheel gewijd aan de kunstenaar, ter gelegenheid van zijn 65e verjaardag:

 

Peer (Foto Hans Joachim Schröter Eindhoven)

‘een keuze uit het oeuvre van

Peer van den Molengraft

van professie portretschilder’

ISBN 90-9001946-4.

 

Deze uitgave, van Greve Offset bv Eindhoven, is tweedehands nog sporadisch te vinden op internet en bij de in kunstboeken gespecialiseerde antiquariaten.

 

Peter Thoben was conservator en directeur van het Museum Kempenland Eindhoven van 1981 tot 2010. In deze periode heeft hij diverse werken over Brabantse kunstenaars gepubliceerd en mag zich met recht kenner noemen van de regionale kunstenaars van de 20e eeuw. Tijdens lange gesprekken heeft hij notities gemaakt van de verhalen die Peer hem kon vertellen over zijn leven en zijn passies.

Het boek is nauwgezet en hoewel de overlevering sommige details anders kunnen hebben ingekleurd, is de beschrijving van het leven van Peer – tot zijn 65e verjaardag – compleet en zeer representatief.

 

In overleg met de auteur wordt deze levensbeschrijving, vrijwel ongewijzigd, toegevoegd aan de website, zonder de laatste jaren van zijn leven biografisch toe te voegen. Hoewel voor Peer het bereiken van zijn 65e levensjaar geen kunstzinnige pensionering werd – hij maakte later nog enkele fraaie werkstukken – zijn er hierna hoegenaamd geen gebeurtenissen in zijn artistieke loopbaan geweest die het opgeroepen beeld van de kunstenaar te kort zouden doen.

 

 

Michel van den Molengraft

Oirschot 2016 

 

 

Voorwoord

 Op zijn vijfenzestigste verjaardag kan de portretschilder Peer van den Molengraft terugkijken op een boeiend maar tegelijkertijd ook uitzonderlijk leven. Een grote schare van bekende en minder bekende mensen heeft hij geportretteerd. Hij is bij de rijksten der aarde over de vloer gekomen en heeft hun levensstijl kunnen observeren en zelfs aan den lijve kunnen meemaken.

Op basis van allerhande literatuur, met name krantenartikelen, die in hun berichtgeving vaak anekdotisch en journalistiek zijn, en derhalve niet steeds overeenkomstig de realiteit, én de inlichtingen van op de eerste plaats de kunstenaar zelf en andere informanten, gaat dit boek de wereld in. Ondanks de – vanzelfsprekende – beperkingen van organisatorische aard, treft u in dit boek een ruime, vrij willekeurige keuze aan uit het omvangrijke oeuvre van de kunstschilder Peer van den Molengraft, die wel betiteld wordt als ‘dDSC02306e hofschilder van de twintigste eeuw’.

De samensteller meent evenwel een aantrekkelijk maar historisch ook betrouwbaar overzicht bijeengebracht te hebben, gewijd aan een opvallend, op zich staand fenomeen, dat op zijn manier het schijnsel van de lichtstad Eindhoven tot in verre landen heeft verspreid en heeft doen stralen.

 

Peter Thoben

Eindhoven 1987

 

 

 

 

Een leven schilderen en reizen

Het leven van de vijfenzestigjarige Peer van den Molengraft is van jongs af aan al bepaald door tekenen en schilderen. Mede door zijn avontuurlijk karakter heeft hij in zijn jeugd veel getrokken en rondgedoold. Evenwel, zijn latere opdrachten hebben hem over de hele wereld doen reizen, maar met name in de Arabische landen.

In het jaar 1920, waarin de stad Eindhoven de omliggende, inmiddels aaneengegroeide, dorpsgemeenten heeft geannexeerd, met het doel ook bestuurlijk en administratief de expansieve groei verder aan te kunnen, trouwen op 5 juli timmerman-aannemer Harrie (Henricus Petrus) van den Molengraft (1897-1970) en de fabrieksarbeidster bij Philips Anna (Anna Cornelia) Oomen (1898-1980). Zij gaan op de Nieuwe Bogert in het stadsdeel Woensel wonen, waar op 1 november 1922 als tweede zoon Petrus Wilhelmus Maria – met de roepnaam Pietje – wordt geboren. Na hem wordt het gezin nog met een jongen en twee meisjes uitgebreid. De familie Van den Molengraft woont al enige generaties rond of in Eindhoven, waar zij als koopman, winkelier of sigarenmaker in hun levensonderhoud voorzien.

De familie Oomen daarentegen is in november 1912 uit Etten naar Eindhoven verhuisd, omdat een betrekking bij de bloeiende Philips Gloeilampenfabrieken een financiële verbetering betekent. Koetsier Petrus Oomen wordt inpakker van lampen op stukgoedbasis en als de eerste planmatige stadsuitbreiding Philipsdorp te Strijp gereed komt, woont het degelijk katholiek gezin in deze speciaal voor Philipsarbeiders gebouwde wijk in de Johannastraat.

Aangemoedigd door de snelle groei van Eindhoven beproeft vader Van den Molengraft als eigenbouwer zijn geluk. Dat wil zeggen: hij koopt bouwgrond, maakt bouwtekeningen voor huizen, bouwt die in eigen beheer en voor eigen risico, en verhuurt de panden of verkoopt die tenslotte. Op deze wijze is hij onder andere actief geweest in de Primulastraat bij de Gerardus Majellakerk in de wijk Stratum en aan het begin van de Woenselsestraat, waar het gezin in 1930 in een zelf gebouwd huis gaat wonen.

Door recessie en crisis van de jaren dertig is vader Van den Molengraft genoodzaakt om als opzichter bij een bouwbedrijf in dienst te treden. Onder zijn toezicht komt bijvoorbeeld de wijk tussen de Boschdijk en de Edisonstraat tot stand.

Klein Pietje bezoekt de bewaarschool van de zusters aan de Houtstraat en volgt de lagere school op de Johannes Berchmansschool van de fraters van Tilburg aan de Boschdijk. Na school gaat hij op verkenning uit in de Woenselse beemd, moerassig broekland bij de Dommel. Daar leert hij spelenderwijs de natuur kennen en de gevaren van drassig land.

Door de gezinsverhuizing in 1930 komt hij op de lagere school aan de Woenselsestraat, waar de ‘kromme’ Dekkers hoofd is, bij meester Van Rooij in de klas. Daar ontpopt hij zich als een vaardig gelegenheidstekenaar op het schoolbord. Bijvoorbeeld met Sinterklaas wordt hem gevraagd zijn krijttekeningen in alle klassen uit te voeren.

Vroegtijdig, na de vijfde klas, gaat Pietje naar de ambachtsschool aan de Catharinastraat om er tot huis-, decoratie- en reclameschilder opgeleid te worden. Slechts anderhalf jaar houdt hij het er uit bij zijn tekenleraar Huub van Baar en zijn leraar schilderen Louis Coolen. Zijn medeleerlingen zijn o.a.: Caspar de Haan, Jo Lodewijks, Hein Louwers en Alben René Jansen. Laatstgenoemde zal later als monumentaal kunstenaar zijn sporen verdienen.

In zijn vrije tijd echter trekt Pietje er met zijn schilderdoos per fiets op uit onder andere naar Oirschot, waar hij bij legendarische Jan Kruysen (1874-1938) adviezen en aanwijzingen krijgt. Zijn drang om te kunnen schilderen is zo groot, dat hij mede na herhaaldelijk spijbelen zonder diploma van school gaat, hoewel zijn leraar Louis Coolen daar zeer op tegen is.

Geheel vrij, gaat hij vaker naar Jan Kruysen, waar ook Martien Roestenburg (1909-1966) – een boerenzoon uit Acht, die na de Tweede Wereldoorlog op aandringen van de paters van Mill Hill zijn heil zoekt in Nieuw-Zeeland – geregeld voor onderricht komt.

Het is Jan Kruysen, die de naam Pietje – in zijn ogen alleen een aanduiding voor een vogeltje – verandert in Peerke.

Tot een van de eerste grote ondernemingen om in de kunst te komen hoort zijn fietstocht naar Antwerpen met nauwelijks enig geld op zak. Bij het schilderen van de O. L. Vrouwekathedraal vanaf de Groenmarkt trekt Peerke de aandacht van een dame. Zij nodigt hem uit om te komen logeren en ongeveer een maand blijft hij in Antwerpen. Met het schilderen en het verkopen van zijn ‘vue-kes’ weet hij zich verzekerd van een bestaan als kunstschilder.

De talentvolle Peerke treedt in 1935 in dienst bij Jan Kruysen. Naast kost en inwoning verdient hij een rijksdaalder per week. Het is opmerkelijk, dat zijn ouders hiermee hebben kunnen instemmen. Vermoedelijk heeft de sfeer thuis daartoe bijgedragen, want vader en moeder waren in feite twee tegengestelde naturen. Zijn vader is door Peerkes talent, het ongewone, het ondernemende en avontuurlijke getroffen en stimuleert zijn zoon waar mogelijk. Zijn moeder daarentegen is van mening, dat het allemaal zo’n vaart niet zou lopen. In ieder geval wordt hij beschouwd als een buitenbeentje.

In dienst van Jan Kruysen reist hij door het land om bekende pittoreske stadsgezichten en watermolens te schilderen, die goed in de markt liggen. Zo schildert hij met weinig diepte maar wel kleurig de St.-Jan, Orthenpoort en Boerenmouw te ‘s-Hertogenbosch, de Lange Jan en Koppelpoort te Amersfoort, de Domtoren te Utrecht, het Stratumseind met Catharinakerk te Eindhoven en de kerktoren van Oirschot. Veel van deze schilderijtjes zijn gereproduceerd door de drukkerij van het Missiehuis te Steyl bij Tegelen, ten behoeve van diverse missie-almanakken, al dan niet aangeduid als zijnde van de hand van Jan Kruysen.

Veel van de voor Kruysen vervaardigde, op doek, karton of board gepenseelde voorstellingen zijn door de meester, na een kritische beschouwing, met (de bekende) twee kruisen gesigneerd en als eigenhandig werk van hem verkocht aan of in natura geruild met de clientèle, die Kruysen in deze contreien en in het Limburgse had.

Jan Kruysen onderhoudt met de geestelijkheid veel contacten, enerzijds omdat hij vanuit een overdreven godsdienstijver veel religieus werk maakt, anderzijds wordt hij door die geestelijkheid daartoe ook gestimuleerd.

Het is de amateurschilder Dom Augustinus Giesbers – rustend abt uit het trappistenklooster van Echt –, die de jeugdige Peerke bij Jan Kruysen weghaalt en meeneemt naar het trappistenklooster van Westmalle en later naar dat van Rochefort in de Ardennen om de jongeling veelzijdiger op te voeden en te vormen. Peer wordt onder de hoede gesteld van de humoristische pater-kunstenaar Mathias Cox, die schildert en etst. Een ets van de abdij van Westmalle van diens hand met een op 13 oktober 1936 gedateerde opdracht in rijm: ‘Peerke, wordt eens ’n heerke, hij weze dan ’n edel man, ’n flinke Peer, die nog wat meer dan schildren kan’, wordt door de kunstenaar nog altijd zorgvuldig bewaard.

De eenzaamheid en de strengheid van het kloosterleven maken hem bij tijd en wijle angstig. Ook de serieuze en geestelijk hoogstaande gesprekken dragen ertoe bij, dat hij zich niet op zijn gemak en op zijn plaats voelt, zodat een terugkeer naar Eindhoven noodzakelijk is.

Met Jan Kruysen gaat hij naar de Achelse Kluis, waar hij een schilderij van de ingangspoort maakt, en later naar Postel om hem te assisteren bij de muurschilderingen in de refter van de abdij. Van Jan Kruysen krijgt hij zijn in 1933 uitgegeven plaatwerk vergezeld van commentaar ‘Het Boek’. Gedachten en beelden met de opdracht: ‘Aan mijn kleine schilder Peerke, van den schilder Jan Kruysen. Oirschot 1 maart 1937.’.

Door het schilderen van Peer komen bij de familie Van den Molengraft ook geregeld schilders als Leo van Gemert (1912-1989) en Janus Sibens (1906-1964) – die het banketbakkersvak opgeeft en als huisschilder werkzaam een verdienstelijk kunstschilder wordt –, èn de zondagsschilder Hendrik de Lau (1885-1944), een werkloze handelsreiziger.

Met laatstgenoemde vat Peer het plan op om in een woonwagen, die door vader Van den Molengraft ter beschikking is gekomen, rond te trekken, waarbij Peer schildert en de bijna veertig jaar oudere De Lau voor het huishouden èn de verkoop van Peer’s stukjes zorg zal dragen.

Veel is er niet van terecht gekomen. Goed en wel op weg worden zij wegens overtreding van bepalingen en verordeningen naar het woonwagenkamp Siberië bij ‘s-Hertogenbosch weggesleept, waar zij, geaccepteerd door de woonwagenbewoners, de winter van 1937-1938 doorbrengen. Daarna staat de woonwagen een tijd lang naast het huis van de familie Van As aan de Boschdijk te Eindhoven.

Door toedoen van dr. Th. J. J. H. Meuwissen (1896-1986), specialist en directeur van het Binnenziekenhuis te Eindhoven, wordt Peer in het najaar van 1938 bij de wat wereldvreemde kunstschilder Harry Koolen (1904-1985) in Houthem-Sint Gerlach in de leer gedaan. Hoewel Harry Koolen geen enkele interesse heeft voor een leerling, hetgeen hij keer op keer overduidelijk laat blijken, moet hij Peer wel als zodanig nemen, omdat een verzoek van zijn sturende en veeleisende mecenas met het oog op verdere financiële toelagen niet geweigerd kan worden.

Met het gezin Koolen gaat Peer in 1939 mee naar Amsterdam en wordt bij een ongetrouwde zuster van Koolen’s vrouw aan de Herengracht ondergebracht. Om zijn (hoge) kostgeld te kunnen betalen komt het schilderen noodgedwongen op de achtergrond. Hij wordt gedwongen te gaan werken en met een verwijskaart solliciteert hij o.a. als flessenspoeler bij Tip van Bootz, maar wordt afgewezen. Als voerman komt hij dan in dienst van de later beruchte Puls uit de hoofdstedelijke Kerkstraat, die vrachten voor Van Gend & Loos rijdt.

Na negen maanden raakt Peer uit Amsterdam weg door bij een Dordrechts schildersbedrijf een baan als huisschilder te aanvaarden, maar na korte tijd komt hij in Eindhoven terecht om dakgoten, raamkozijnen en deuren van nieuwbouwwoningen aan de Lijmbeekstraat te schilderen.

Het nadelig gevolg van deze overstap is, dat hij veel minder loon beurt, maar een gunstig voordeel is, dat er veel meer vrije tijd overblijft om te schilderen.

Terug in zijn geboortestad krijgt Peer kosteloos de beschikking over de zolderruimte van de Teken- en Schilderschool aan de Gagelstraat, die in 1939 door Karel Vermeeren, Jac. Aarts en Jan Louwers is gestart om op te leiden tot de lagere akte tekenen. Als tegenprestatie fungeert Peer als ‘conciërge’ door twee keer per week de ruimte voor de lessen in orde te maken. Verder volgt hij er lessen en hij slaagt voor de akte L.O. tekenen met uitstekende cijfers.

Op die tekenschool volgt ook Harrie Pardoel (1921-2005), die bij de firma Cordang en Van Maarschalkerweerd te ‘s-Hertogenbosch tot edelsmid is opgeleid, tekenlessen. Met hem raakt hij goed bevriend.

Met Vermeeren en Louwers gaat Peer een enkele keer op de Keersop bij Dommelen schilderen en af en toe tekent hij ook wel naar levend naakt model op de zolder bij Harry Maas (1906-1982), de promotor van de Eindhovense Schetsclub. In deze tijd bewonderen zelfs een Jan Sluyters en professor J. H. Jurres van de Rijksacademie Peer’s werk en hij ruilt met hen zijn schilderijen voor aquarellen.

Een contract van 100 gulden per maand met de Eindhovense kunsthandelaar Braun stelt Peer in staat in het Limburgse te gaan schilderen. Op vakantie met Sjef van der Voort (1914-1990), die bij een reclamebureau in de Gagelstraat werkt, komen zij via het schilderachtige Thorn in Meerssen bij de ouders van Harry Koolen te logeren, waar zij de Maastrichtse kunstenaar Frans Ronda (1899-1976) leren kennen. Via deze komt Peer in Honthem terecht, waar hij een kippenhok huurt van een zekere Piet Brouwers, nadat deze het bouwsel voor bewoning heeft opgeknapt.

Sjef van der Voort blijft er geregeld weken. Als Harrie Pardoel van thuis toestemming krijgt om één jaar bij Peer te gaan schilderen, wordt bij Lowie Schreurs een woonkamer en zolderslaapkamer gehuurd in een deel van een Limburgse boerderij met binnenplaats. Later trekken zij in bij ene Lei van den Berg, bijgenaamd de Pinkert. De Eindhovense vrienden – Karel Vermeeren, Jac. Aarts, Jan Michels, Jan Louwers, Harry Maas en Thieu Brekelmans – komen er wel op bezoek en blijven dan enige dagen hangen. Zonder ingeschreven te zijn gaat Peer wel eens op zaterdag naar Maastricht om er aan de Kunstnijverheidsschool te tekenen.

Het is midden in de Tweede Wereldoorlog. Als enkele NSB’ers de avonturierende kunstschilders nauwlettend in de gaten gaan houden en de tewerkstelling voor jonge mannen in Duitsland dreigt, wordt de Limburgse grond hen te heet onder de voeten. Peer raakt ook bij het ondergronds verzet betrokken als koerier van pakjes die van medici afkomstig zijn. Wanneer hij in de Eindhovense Paterskerk wacht met een koffertje papieren voor Frankrijk, wordt hij door de huisarts Piet Theeuwen uit Heeze gewaarschuwd met de boodschap onder te duiken.

Tante Mina, een ongehuwde zuster van zijn vader, houdt hem verborgen op de zolder van haar huis in de Nieuwe Bogert. De tijd brengt hij nuttig door met het in zelfstudie bijspijkeren van Frans en Engels en het leren van Italiaans.

Als de oorlog op zijn eind loopt, waagt Peer zich af en toe aan een uitstapje naar Deurne om zijn vriend Henk te Strake op te zoeken en er wat te schilderen. Uiteindelijk neemt hij – later ook Harrie Pardoel en Jan Michels – zijn intrek bij een ongetrouwde onderwijzeres Marie van Houts, die een huisje in de Houtenhoek bewoont, waar de excentrieke, aankomende kunstenaar Willy Martinali (1914-1983) ook onderdak heeft vóór zijn verhuizing naar het Haageind.

Afzijdig van de schilderende arts Hendrik Wiegersma (1891-1969) en diens vriendenkring, zit er in Deurne een groep van jongere kunstenaars. Naast de reeds genoemden zijn dat nog Jean Nies, Jan van Gemert en Willem Hofhuizen, die Henk te Strake tijdens zijn korte verblijf aan de Rijksacademie in Amsterdam heeft leren kennen.

Voor zijn – overigens 20 jaar oudere – hospita Marie van Houts legt Peer een grote genegenheid aan de dag. Marie lijdt aan huidkanker in het gezicht. Haar situatie verergert meer en meer, ook na enkele operaties. Door haar godsdienstige instelling wordt ten einde raad, mede op suggestie van de behandelende chirurg dr. San Giorgi, besloten op bedevaart naar Lourdes te gaan, als een laatste kans op genezing en redding. In de gegeven situatie kan zo’n opgave niet geweigerd worden.

Met het geld van de verkoop van Marie’s huis wordt een platbodem gekocht en gaan zij onervaren in het najaar 1946, vergezeld van Harrie Pardoel, richting Frankrijk. Op sleep genomen door binnenschippers bereiken zij Mauberge in Noord-Frankrijk. In de kleine sluizen kunnen binnenvaartschip èn sleep niet in één keer geschud worden, zodat zij niet meer verder komen. Met geld van thuis wordt een zware buitenboordmotor in Rotterdam aangeschaft en opgehaald, die na de nodige douaneproblemen bij Maastricht-Eysden gemonteerd kan worden. Via een foefje komen zij aan voldoende benzinebonnen en kan de tocht met de nodige vertragingen – zoals het rammen van sluisdeuren en het schuiven van het schip op een kademuur met als gevolg lekkage – worden voortgezet.

In Parijs aangekomen zetten Marie en Peer – omdat het zo niet verder kan – de reis voort per trein naar Lourdes, waar zij drie weken bij kloosterzusters onderdak vinden, terwijl Harrie achterblijft in Parijs om op de woonboot te passen. Omdat Marie nog niet terug wil, gaan zij naar een zomerhuisje van een kennis in Valras-Plage, waar de inmiddels verschrikkelijk uitziende vrouw als besmettelijke door de dorpsbewoners wordt geweerd. In Béziers wordt Marie van Houts in het ziekenhuis opgenomen op voorwaarde, dat Peer als ziekenverzorger haar blijft verplegen. Op 18 februari 1947 overlijdt Marie van Houts, 44 jaar oud. Zij wordt in Béziers op het kerkhof begraven – vak A nummer 928 – en Peer hakt in ‘taille directe’ een kleine grafsteen met de veelzeggende voorstelling van de kruisdragende Christus, die op zijn lijdensweg door Veronica met een doek het gelaat wordt afgewist.

Om de gemaakte schulden af te betalen moet Peer in Béziers blijven en een baan zoeken, die hij via een rijtuigschilder van de spoorwegen, een zekere Roger Taurines, bij het reclamebureau Brugès vindt. Hij moet grote reclamedoeken voor bioscopen van vier bij vijf meter schilderen. Met enige grootspraak heeft hij zich als specialist op dat gebied voorgedaan, maar het valt hem niet mee. Toch staat hij er niet geheel vreemd tegenover, want hij heeft de reclameschilder van bioscoopborden Willem Kuhr – bekend als een notoire communist – aan het werk gezien en later Sjef van der Voort hiermee geholpen, toen hij een blauwe maandag op het reclamebureau van André van Bergeyk heeft gewerkt. In een grote hal met een verrijdbare steiger heeft Peer een doek met een negerorkest geschilderd met de reclameboodschappen op de muzieklessenaars en in de ballonnen aan de instrumenten. Zo ook een tweetal doeken met een groot schip, een driemaster, waar op de zeilen de reclames zijn verwerkt. Deze baan wordt al gauw door Kees Houtman, de latere directeur van de Academie voor Industriële Vormgeving te Eindhoven, overgenomen.

Na deze periode in Béziers keert Peer naar Parijs terug, naar Harrie Pardoel en de woonboot. Op de boot komen van tijd tot tijd Eindhovense vrienden logeren zoals Harrie Heinemans en Bart van ’t Hul met zijn vrouw. Laatstgenoemden vinden Harrie Pardoel daar een keer zo ernstig ziek, dat de dokter erbij gehaald moet worden en hij tenslotte in het ziekenhuis belandt. Hij blijkt bij het zwemmen in de Seine de ziekte van Weil opgelopen te hebben.

Eind 1947 wordt de woonboot verkocht aan Jan van de Ven, die journalist bij het persbureau van Philips is, maar liever in Frankrijk wil schilderen vanuit een filosofische instelling, die zal leiden tot de zogenaamde ‘dessins aveugle’ en de ‘peinture cohérante et concertée’ .

In mei 1948 besluiten Peer van den Molengraft en zijn vriend Henk te Strake als toerist de wereld in te trekken en naar Amerika te gaan, maar het wordt Algerije. In Algiers denken beiden in een opwelling met het importeren van Hollandse kaas iets te kunnen verdienen, omdat de kaas er zo duur is. Het verschil tussen inkoop- en verkoopprijs, rekening houdend met de transportkosten, blijkt zo groot, dat er met zekerheid aan verdiend kan worden. Bij dit impulsief en naïef plan is het gebleven, geen kaas is er verhandeld of geïmporteerd. Het administratieve doolhof van licenties en verordeningen eist veel tact, diplomatie en geduld.

Omdat de tijd niet alleen schakend en filosoferend doorgebracht kan worden, wordt het aanvankelijk afgezworen schilderspenseel weer ter hand genomen. Naar aanleiding van de voor iedereen toegankelijke receptie op Koninginnedag op het Nederlands consulaat ontvangt Peer de opdracht om de Nederlandse consulgeneraal G. J. M. A. van Randshuyzen te portretteren. Later wordt hij voor een receptie speciaal uitgenodigd op het consulaat om voorgesteld te worden aan de president van de Assemblé Algérienne, wiens portret hij in opdracht schildert.

Daarmee wordt de weg geopend naar een hele reeks portretopdrachten, zo’n zestig in totaal, in Algerije. Hij portretteert de drie opeenvolgende presidenten van de Assemblé Algérienne: Raymond Laquière, Saïah Abdelkader en Marcel Flinois. De gegoede bovenlaag volgt: A. gravin de Sérigny en haar zoon Kiki, rechter A. Pertus en zijn vrouw, professor J. Weiller met vrouw, mevrouw Cherqui, de kinderen Weiller en D’Héré en anderen.

Peer wordt zelfs uitgenodigd voor een verblijf van drie maanden in El Hamel in de Sahara om sheik El Kacimi Mustapha met zijn zoon Hadj Chelille te vereeuwigen op doek. De sheik ontvangt hem niet alleen vorstelijk, maar doet ook pogingen om hem als hofschilder vast te houden.

In 1949 krijgt Peer opdracht van de stad Algiers om een groot historiestuk te schilderen bestemd voor het nieuwe stadhuis, gewijd aan de overdracht van het Oorlogskruis aan de stad door de Franse president wegens haar loyaliteit in de Tweede Wereldoorlog. Deze gebeurtenis woont Peer, al schetsen makend, in mei 1949 bij. Zij naam is reeds zo gevestigd, dat de protesten van de plaatselijke kunstenaarsvereniging Les Indépendants, die zich er tegen verzet dat zo’n opdracht naar een buitenlander gaat, geen gehoor vinden.

Zijn eerste expositie vindt plaats in salon ‘Le Nombre d’Or’, waar een twintigtal portretten hangen. Nadien volgt nog een tentoonstelling in de galerie van boekbinder Joseph Bosco, het ‘Maison de la Reliure’, samen met de Nederlander Hans van Wijk (1911-1990) zoon van de veelbelovende maar te jong overleden beeldhouwer Charles van Wijk en kleinzoon van de Haagse Schoolschilder Jacob Maris. Hans woont teruggetrokken met een tante in Algerije, waar hij verfijnd en met aandacht voor het detail miniatuur-stillevens schildert. Bij dit contact zijn er zelfs nog schilderijtjes, tekeningen en schetsboeken van de Marissen te voorschijn gekomen.

In het najaar van 1949 is Peer in Parijs om portretten van president Vincent Auriol en de ministers Moch en Ramadier te maken in verband met de eerder genoemde opdracht voor de stad Algiers. Hij keert naar Algiers terug maar door de revolutie, die het staatsbestel zal wijzigen, blijft zijn doek van drie bij vijf meter onvoltooid en is het uiteindelijk verloren gegaan bij het opblazen van het stadhuis.

Intussen besteden de Algerijnse en Franse pers ruim aandacht aan de jonge Nederlandse kunstschilder. Het feit, dat de Franse president voor hem heeft geposeerd, zet tal van deuren naar allerlei nieuwe portretopdrachten wijd open: in Frankrijk schildert hij de kinderen Soldermann in Montpellier en in Zwitserland mevrouw Girardet te Lausanne. Ook de Nederlandse pers ontgaat de snel klimmende reputatie van onze schilderende landgenoot niet. Nadat in De Nieuwe Eeuw van september 1949 een uitgebreid stuk is verschenen, schrijft Frank Onnen, correspondent in Parijs, een artikel, dat in tal van Nederlandse dagbladen onder verschillende koppen rond de jaarwisseling van 1950 wordt geplaatst.

In de zomerperioden, die hij in Parijs verblijft, is hij ingeschreven aan de Ecole Nationale Supérieure des Beaux Arts, omdat dat allerlei faciliteiten zoals toelating tot de mensa oplevert. Veel lessen volgt hij er in ieder geval niet. Een enkele keer gaat hij ook naar naakt model tekenen aan de bekende academie aan de Rue de la Grande Chaumière. Daarnaast voert hij tal van portretopdrachten uit zoals het portret van de toen bekende mannequin Cahen Pereirra, senator Lafleur, prefect Mécheri, de industriëlen Bonello en Henny.

Het is in Parijs aan de Ecole Nationale Supérieure des Beaux Arts, dat hij zijn toekomstige vrouw, de begaafde Odette Saulnier (1928-2010) heeft leren kennen, waarmee hij in 1950 in het huwelijksbootje stapt. Op 14 oktober wordt het huwelijk in de kerk van St. Marie des ValIes te Bois Colombes ingezegend. Zij vestigen zich in Parijs en uit het huwelijk worden twee zonen geboren, Henri en Michel.

Ook vanuit Nederland krijgt Peer opdrachten als gevolg van de publiciteit rond zijn persoon. Een van die opdrachten is een opmerkelijk groepsportret van de Rijnlandse Academie, waarop o.a. Godfried Bomans, Harry Prenen, Wouter Paap en Jan Mul zijn geportretteerd. Peer is aan het schilderij begonnen in een speciaal voor het publiek afgesloten zaal in het Frans Halsmuseum te Haarlem, waar H. P. Baard dan directeur is, en hij heeft het voltooid in het Jacobus van Looyhuis aldaar.

Na een aanvankelijk als vakantie bedoeld verblijf van vele maanden vestigt in 1952 het gezin zich vanuit Parijs definitief in Eindhoven, waarvoor burgemeester Kolfschoten zich heeft beijverd. In de loop der jaren fungeert hij als een soort heraut voor de kunstschilder en beveelt hem voor menig opdracht aan. Na zo’n negen maanden bij zijn oudste zus Trees in huis opgenomen te zijn, waar de huiskamer tot atelier is ingericht, zet vader Van den Molengraft een houten huis op een stuk grond aan de toen nog vrijwel onbebouwde Koudenhovenseweg Zuid, waar de familie een jaar lang woont, dan wordt het huis overgedaan aan de reeds genoemde zuster van de schilder. In die tijd weet hij met een zekere handigheid opdrachten in de wacht te slepen en zo maakt hij een reeks portretten van Eindhovenaren: de heer Caspar de Haan, mevrouw De Haan-Verminnen, de kinderen De Haan, mevrouw Van Luyt-Vergoosen, mevrouw Falke, mevrouw Janmaat-Engels, mevrouw Sassen, de kinderen Van den Boorn en De Regt.

In ‘s-Gravenhage schildert hij mevrouw Van Rijn en van het echtpaar Bamberger-Habets te Rotterdam in 1952 ontstaan twee doeken als pendanten.

Een zeldzame, maar tevens uitdagende opdracht om een groepsportret te vervaardigen van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven, het zogenoemde ‘gouden college’, bestemd voor het nieuwe stadhuis krijgt Peer van iemand, die voor de buitenwereld anoniem wenst te blijven. De schenker komt tot zijn daad, omdat hij hiermee zijn dank wil uitdrukken voor hetgeen dit college voor de stad gedurende de wederopbouw heeft gedaan. Na zovele jaren kan nu wel onthuld worden, dat de schenker Harrie Boon (1890-1968) is, de directeur van de autobusonderneming City. De geruchten, die toentertijd hebben gecirculeerd, dat Peer zelf de schenker zou zijn om zich in de belangstelling te plaatsen, zijn dus uit de lucht gegrepen. De kunstrecensenten zijn tevreden over het doek. Jan van der Harten noemt het ‘een prestatie van de eerste rang’ en schrijft: ‘Van den Molengraft is erin geslaagd een levendige, boeiende en hechte compositie te scheppen, geprononceerd actief, de heren zijn druk aan het werk en het is gewichtig werk dat zij doen. Het schilderij is in een losse brede toets geschilderd, niet overal even sterk, maar over het geheel volledig beantwoordend aan de compositie. De kleur is daarbij aangepast, waardig en in sommige gedeelten zeer fraai. Niet overal echter is zij rijp en doorwerkt en bij het zoeken naar een bindend rythme in die kleuren, die een onmisbare maar secundaire functie hebben, is de schilder niet altijd geslaagd.’. Frans Babylon stelt: ‘Een Eindhovense Mecenas – die voorlopig onbekend wenst te blijven – heeft geen slechte keus gedaan juist deze portretschilder te belasten met de veeleisende opdracht om een groepsportret te schilderen ….. Behalve Hugo Brouwer zou misschien niemand anders dan Peer van den Molengraft deze opgave tot een ook nog voor het nageslacht bewonderenswaardig resultaat hebben kunnen brengen.’.

Hoewel tijd en sfeer in zijn algemeenheid tegen een portretschilder zijn, wordt dit grote doek – vermoedelijk afgedwongen bij directeur mr. E. L. L. de Wilde – toch geëxposeerd in het Stedelijk Van Abbemuseum.

In de herfst van 1954 vertrekt Peer naar Amerika op uitnodiging van èn aandringen van de heer Cummings, die hij heeft leren kennen, omdat deze bij Philips in Eindhoven heeft geadviseerd. Hij schildert er een zevental portretten o.a. mevrouw Van den Berg met zoon Billy, mevrouw Cummings, mevrouw Dorenbosch of Larchmont, etc. Zijn vrouw en kinderen gaan naar de schoonouders in Parijs en zij blijft haar ontwerpen voor stoffen opsturen naar textieldrukkerij Swinkels te Geldrop. Hoewel hij graag naar Amerika teruggegaan zou zijn – want er zijn genoeg portretopdrachten in portefeuille –, wordt hij door zijn vrouw – en in het belang van de kinderen – weerhouden om zich daar te vestigen. Wel is hij lid van de Portraitpainters Incorporation te New Vork geworden.

Na in hotel Hof van Holland gelogeerd te hebben en op Wolfsven tussen Geldrop en Mierlo tijdelijk gewoond te hebben, kopen in 1955 de Van den Molengrafts een huis aan de Wolvendijk, gelegen aan de weg naar Nuenen.

In het Eindhovense kunstenaarsmilieu speelt Peer wel een rol, maar als min of meer traditioneel werkend portretschilder met een grote reputatie en brede waardering hoeft hij niet via exposities of anderszins aan de weg te timmeren. Hij is lid van de in 1953 opgerichte kunstenaarssociëteit Cultureel Contact en exposeert met deze club bij het vijfjarig bestaan in Slot Dommelrode te Sint-Oedenrode.

Jan van der Harten – tevens voorzitter van Cultureel Contact – merkt in het Eindhovens Dagblad op: ‘Het is prettig figuren als Peer van den Molengraft en Harrie Pardoel , die niet of lange tijd niet exposeerden, weer aan te treffen, zeker omdat hun werk mede tot de plezierige verrassingen behoort.’.

Peer heeft aan de wieg gestaan van de in 1959 in het leven geroepen Kring Eindhovense Beeldende Kunstenaars en is op de eerste expositie in De Krabbedans met reisschetsen vertegenwoordigd. Jan van der Harten schrijft wederom over hem: ‘Van de portretschilder Peer van den Molengraft is er een zestal sfeervolle reisschetsen uit Spanje, dat een andere zijde van zijn talent tonend een van de weinige verrassende zaken op de expositie is. ‘ .

In de catalogus bij het tienjarig bestaan van Cultureel Contact in 1963 noteert Benita Isphording: ‘Dan waren er (wellicht te weinig) vrijbuiters, die nog steeds courante anekdotes hebben geleverd en van hen geniet het duo Peer van den Molengraft – Harrie Pardoel schier onsterfelijke roem … Dat zijn mooie verhalen. Er wordt nog altijd oprecht van genoten.’.

Een collega-schilder, waarmee Peer een goede verstandhouding heeft en met wie hij geregeld optrekt, is de nu in Heusden woonachtige Kees Bol, leerling van de Schijndelse Jan Heesters. In 1951 hebben zij elkaar in Parijs leren kennen, zoals Peer verhaalt bij de boekaanbieding ter gelegenheid van diens zestigste verjaardag in het Stedelijk Van Abbemuseum in 1976. Bol’s portret uit 1960 is door de snelheid, waarmee het door Peer is neergezet, interessant.

Ook van de in Maastricht werkzame kunstschilder Willem Hofhuizen (1915-1986) die hij uit Deurne kent, maakt Peer omstreeks 1973 een raak en markant portret.

Na de ingebruikname in 1959 van het theater Select ontstaat de Eindhovense Filmkring als zelfstandige afdeling van Cultureel Contact. De filmkring wordt gedragen door pater Concordius van der Pol, Theo van der Weiden, Gerard Frinking (secretaris/penningmeester), Frank Mignot, Kees Nijsen, Gerard Knuvelder, Leo Nouwen en Peer van den Molengraft, die als voorzitter de films inleidt. Als er geen ambitie meer is voor de kring, houdt die op te bestaan. De stichtingspapieren worden, nadat ook nog de Stadsschouwburg in beeld is geweest, overgedaan aan De Krabbedans, die in 1974 start met het vertonen van films uit het alternatieve circuit.

Aan het eind van de jaren vijftig en begin van de jaren zestig schildert Peer ter gelegenheid van openingen, jubilea, verjaardagen of pensioneringen een enorme reeks prominenten. Om een indruk te geven volgt een willekeurige opsomming. Uit het bedrijfsleven – bij sommige opdrachten bemiddelt de Stichting Kunst en Bedrijf te Amsterdam – portretteert hij A. H. Huenges in 1956, J. M. A. Reijnders in 1959, – en ter vervanging van door de in Nuenen werkende Hugo Brouwer (1913 -1986) eerder geschilderde, maar minder geslaagd bevonden portretten – dr. H. J. van Doorne in 1960 en W. A. V. van Doorne omstreeks 1970 voor de Daf, Max Lips van de Lips’ Scheepsschroevengieterij in Drunen in 1958, ir. P. F. S. Otten in 1960 èn in 1961 voor Philips, Willy Volker in 1960 voor het gelijknamige verwarmingsbedrijf, Chris van Elderen in 1961 en zijn broer Kees van Elderen in 1964 in opdracht van het personeel van Brabantia bij gelegenheid van hun vijftigste verjaardag.

In 1963 ontstaan portretten van mevrouw A. H. E.M. Philips-De Jongh, ter gelegenheid van haar 85ste verjaardag, en van Henriëtte M. Roelants postuum ten behoeve van het Philips Ontspannings Centrum.

In 1957 vervaardigt hij doeken van de geestelijken J. M. J. Th. van Wijk, pastoor van de Fellenoordparochie te Eindhoven, van C. F. Berkelmans, deken te Heeze en van Mgr. W. M. Bekkers voor de parochie ’t Heike te Tilburg bij zijn benoeming tot bisschop. Van het laatste levensgrote portret ten voeten uit zegt de ‘kritische’ Frans Babylon: ‘Het is een waardig statie-portret met monumentale allures en het verdient een voorname representatieplaats. Het is daarenboven een psychologisch klare karakteristiek van de kerkelijke hoogwaardigheids-bekleder als menselijk persoon. Dit portret kan men bovendien ook bewonderen als een boeiend modern schilderij dat met veel vakmanschap maar zonder banaal vertoon van virtuositeit geschilderd is op een besliste, lenige en gevoelige wijze.’.

Uit regerings- en gemeentelijke kringen krijgt hij de opdracht voor een portret van prof. dr. G. Holst in 1957 ter gelegenheid van de opening van de Technische Hogeschool in Eindhoven, voor portretten van Koningin Juliana – een viertal keren poseert zij voor de schilder en nadien werkt hij met een stand-in model mevrouw Vredegoor – ten behoeve van diverse gemeentehuizen in de omgeving onder andere Someren, Heeze, Valkenswaard en Oss, voor het portret van burgemeester G. J. Delen van Oss in 1959 en burgemeester mr. F . M. C. Pesch van Tegelen in 1960. Het portret van politiecommissaris B. van der Werf wordt hem door het Eindhovense politiecorps bij zijn zestigste verjaardag aangeboden in 1963. Verder komen portretten tot stand van prof. mr. E. G. J. Gimbrère in 1957 voor de Tilburgse Hogeschool, Landscommandore van de Ridders van het H. Graf mr. dr. L. N. Deckers in 1958, prof. mr. P. S. Gerbrandy in 1959 voor de Nozema, mr. H. A. M. T. Kolfschoten in 1958, dr. J. E. de Quay in 1959 en prof. dr. H. B. Dorgelo in 1961 voor de Technische Hogeschool te Eindhoven, ir F. Donker Duyvis in 1961 voor de Octrooiraad, bibliothecaris prof. dr. L. Brummel in 1962 voor de Koninklijke Bibliotheek, prof. dr. A. E. van Arkel in 1964 voor de Leidse Universiteit, enzovoorts. Naar analogie van het Eindhovens groepsportret van burgemeester en wethouders maakt Peer in 1958 een gelijksoortig opgezet doek van het bestuur van het Sint- Lambertusziekenhuis te Helmond.

In opdracht van de Nederlandse regering vervaardigt Peer in korte tijd een portret van Sir Tasman Heyes, een hoge Australische regeringsfunctionaris voor emigratie-zaken bij diens bezoek in 1961 aan Nederland . Dit portret wordt ten geschenke aan de Australische regering aangeboden. Hieruit vloeit het verzoek voort van de regering om een onderzoek in te stellen naar de mogelijkheden van een intensivering van de culturele betrekkingen tussen beide landen. Zijn bevindingen zijn na een verblijf aldaar in een rapport neergelegd: Investigation into the possibilities of intensifying cultural relations between Australia and The Netherlands (Eindhoven May 1962).

Via Pakistan, India, Cambodja en Thailand reist Peer naar Australië. Zijn reisindrukken vinden wij in het Eindhovens Dagblad geïllustreerd met eigen tekeningen en in het cultureel tijdschrift Brabantia verwoord. Later geeft hij in Eindhoven lezingen over zijn reis en zijn ervaringen. In de daarbij getoonde dia’s profileert Peer zich ook als een uitstekend fotograaf.

Zoals deze reis worden ook latere reizen in Unesco-verband geplaatst, bijvoorbeeld naar Beiroet en Caïro, waar hij in 1967 respectievelijk de Nederlandse ambassadeur Philipsen en de secretaris van de Arabische Liga Abdel Khalek Hassouna schildert.

Een geheel andere dimensie wordt aan het werk van Peer van den Molengraft toegevoegd als hij door het internationale bedrijfsleven in Nederland in de jaren 1960 niet louter als portretschilder maar ook als een soort ambassadeur op stap wordt gestuurd om staatshoofden met name in Arabische landen te portretteren met de bedoeling om door de aanbieding van een zeer persoonlijk relatiegeschenk – een portret – de goodwill ten aanzien van de royale aanbieder te bevorderen, zodat eventuele drempels voor grote zakelijke transacties daarmee zijn geslecht. Op deze wijze zijn de portretten van koning Feisal van Saoedi-Arabië in 1964, president Habib Bourguiba van Tunesië in 1966, keizer Haile Selassie van Ethiopië in 1968, president Souharto van Indonesië en vice-president Sultan Hamengkubuwono IX van Djokjakarta van Indonesië in 1971, van sheik Zayed bin Sultan al Nahayyan, president van de Verenigde Arabische Emiraten en heerser van Abu Dhabi in 1977, sheik Khalifa bin Zayed, de kroonprins van Abu Dhabi in 1977 en koning Hussein Ben Talal van Jordanië in 1984 tot stand gekomen.

Op zijn reis naar Indonesië, die ook geschiedt in Unesco-verband, maakt Peer een serie van twaalf schilderijen van één van de wereldwonderen ten behoeve van de Stichting Behoud Boroboedoer. De opbrengst bij verkoop komt ten goede aan het behoud en de restauratie van dit in verval geraakte bouwwerk.

De bekendheid van de Eindhovense kunstschilder wordt ook gestimuleerd door de Eindhovense V. V. V. – directeur Pi Jacobs – hij poseert later nog als stand-in model voor het portret van een sheik –, die de Duitse televisie met het programma ‘Hier und Heute’ in het atelier van Peer in het midden van de zestiger jaren weet te lokken bij het schilderen van portretten van Albert van Dalsum en ir. Frits Philips.

In deze jaren en de komende jaren ontstaan portretten van Albert van Dalsum in de rol van King Lear in 1965 voor de Eindhovense Stadsschouwburg, Peer’s oudleraar Louis Coolen en de bioscoopexploitant Mathijs Desmet in 1966, H. F. Clements van de Jack Group te Singapore in 1969, prof. dr. K. Posthumus in 1971-1972, mr. Frans Joseph van Thiel in 1972 bij zijn afscheid als voorzitter van de Tweede Kamer, de oprichter van het Katholiek Technisch Onderwijs in Eindhoven O. L. C. Redeléin 1973, dr. C. N. M. Kortmann in 1973 bij zijn afscheid als commissaris van de Koningin in Noord- Brabant, de heer en mevrouw mr. J. Meyen in 1974 en burgemeester ir. H. B. J. Witte van Eindhoven postuum in 1975.

In januari 1975 betrekt Peer zijn huidige woning aan de Koudenhovenseweg Noord 72, die door de in de traditie van de Bossche School werkende architect ir. Jan Calis uit Rosmalen is gebouwd overeenkomstig de wensen en behoeften van de portretschilder.

Zijn veelvuldige afwezigheid van huis, in verband met zijn vele portretopdrachten in het buitenland, is er misschien mede oorzaak van, dat het huwelijk met de inmiddels tot bekendheid gekomen binnenhuisarchitecte Odette Saulnier stuk loopt en wordt ontbonden. Het is een tragisch dieptepunt in zijn leven en lange tijd is hij hierdoor getroffen en nogal ontredderd.

Echter, de opdrachten blijven toch komen en door zijn lidmaatschap en ijveren in organisaties van de Rotary en de Orde van den Prince verkeert hij in kringen, die hem kunnen aanbevelen bij mogelijke opdrachten of waarbinnen hij af en toe ook een portret kan leveren. Voor het Rotary- hoofdkantoor in Amsterdam heeft Peer de portretten van de aftredende gouverneurs in de afgelopen tien jaar getekend.

Recentere portretopdrachten zijn die van mgr. J. Bluyssen, bisschop van ‘s-Hertogenbosch, de commissarissen van de Koningin in Noord-Brabant J. D. van der Harten in 1983 en mr. A. A. M. van Agt in 1987, de burgemeesters A. M. C. M. van Agt van Heeze in 1976, mr. A. F. C. L. Kievits van Zundert in 1984, mr. A. M. I. H. Baeten van Maastricht in 1985 en dr. G. W. B. Borrie van Eindhoven in 1987, minister prof. dr. A. A. Th. M. van Trier in 1983 voor het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, van drs. P. J. G. van Doorne postuum in 1984 voor de Daf, van zuster Maria in 1985 voor het Talenprakticum Regina Coeli te Vught en van de Baronesse Van den Bogaerde van Terbrugge uit Heeswijk in 1985.

Het ziet er naar uit, dat deze reeks zich nog verder zal uitbreiden. Zoals overzicht en plaatwerk van Peer’s oeuvre in dit boek laten zien, zullen de Brabanders en in het bijzonder de Eindhovenaren in goede doen daarbij een belangrijke rol spelen.

 

Verftaal

Bij het overzien van vijftig jaren schilderen, rijst gemakkelijk en terecht de vraag, of zijn schilderen voorzien kan worden van enige kanttekeningen aangaande stilistische veranderingen, invloeden, kleurgebruik, zijn werkwijze en de verhouding van vrij werk als landschappen en bloemstillevens tot de meer plichtmatige portretopdrachten.

Van jongs af aan is tekenen voor Peer een vanzelfsprekende bezigheid. Het portretje, dat hij op zesjarige leeftijd op een leitje van zijn grootvader van moederskant heeft gemaakt, en door hem als een kleinood wordt gekoesterd, getuigt hier in zekere zin van.

De contacten met de kleurrijke kunstschilder Jan Kruysen uit Oirschot – in letterlijke en figuurlijke zin – zijn van beslissende invloed op zijn idee of keuze om kunstschilder te worden. Aangemoedigd, maar ook bevestigd door de indiensttreding bij Jan Kruysen, schildert Peerke de opgedragen pittoreske stadsgezichtjes qua compositie vlak en met gebruik van veel kleur en van beweeglijke lijnen, in een quasi los handschrift, daarbij leunend op de voorbeelden van zijn leermeester.

Wat de precieze invloed van de periode in de trappistenkloosters van Westmalle en Rochefort onder leiding van de pater-kunstenaar Mathias Cox is geweest, is in zijn werk niet te traceren.

De landschappen en bloemstillevens na zijn terugkomst in Eindhoven, en na zijn zwerftocht per woonwagen met Hendrik de Lau, tonen het streven en studeren van Peer om werkelijk tot kunstschilder op te klimmen, waarbij een leidinggevende en sturende hand geen kwaad kan. Het is jammer, dat Peer om financiële redenen geen opleiding heeft genoten, of op één van de kunstacademies, of bij één van de eerste gediplomeerde kunstschilders in Eindhoven, de zwagers Huub van Baar (1894-1982), Cees Timmering (1897-1956) en Bas Bakermans (1901-1984).

De medicus Meuwissen voelt dit aan en plaatst hem bij diens beschermeling Harry Koolen. Hoewel de verstandhouding met zijn nieuwe leermeester vanaf het eerste moment verstoord is, worden toch een donkerder palet en een grotere gevoeligheid – naar Koolen’s voorbeeld – in zijn eigen werken aanwijsbaar-aantoonbaar, zoals blijkt bij het onvoltooide portret van zijn moeder omstreeks 1940 geschilderd. Het – al dan niet onder leiding – tekenen tijdens de eerste oorlogsjaren in het Eindhovens ‘artistiek’ milieu, vergroot niet alleen zijn (technische) tekenvaardigheid, maar maakt hem ook bewust van de noodzaak om tot hechtere composities te komen in zijn schilderijen.

Tijdens zijn verblijf in het Limburgse Honthem rijpt zijn werk door juist zelfstandig veel te schilderen. De doeken worden gekenmerkt door het gebruik van veel groen. Zijn meestal zware, groenige, donkergroenige doeken zijn karakteristiek voor deze periode.

In de jaren 1944 -1946 in Deurne zien wij, mogelijk door het intens beleven van de uiteindelijke bevrijding èn door het absorberen van meer Frans georiënteerde invloeden, zijn werk al gauw een ommezwaai maken. Peer wordt een expressionistisch, coloristisch verteller. Zijn composities, die in vlakken opgebouwd zijn, bevatten sterk decoratieve elementen, zodat zij een tweedimensionale indruk geven overeenkomstig het werk van een Paul Gauguin of van de door hem beïnvloede schilders van Pont-Aven, de zogeheten Nabis. Zulks overigens zonder daarmee te willen beweren, dat deze kunstschilders vertrekpunt of direct voorbeeld voor Peer’s schilderwijze zijn geweest.

In Frankrijk en Algerije gaat het – aldaar in ruime mate aanwezige – licht een grote rol spelen in zijn kleurgebruik. Zijn palet wordt lichter en helderder van toon. Zijn portretten in Algiers, die hem de eerste erkenning van portretschilder bezorgen, geven – althans op basis van het beschikbare fotomateriaal – de indruk tekenachtig van karakter te zijn, met een duidelijke contourwerking en een benadrukking van details en stofuitdrukking. Dit hangt mogelijk samen met zijn toenmalige werkwijze, waarbij hij eerst in potlood een schets op het doek zet alvorens met het schilderen zelf te beginnen.

De portretten uit het begin van de jaren vijftig, ontstaan in Eindhoven en Amerika, zijn nog op dezelfde wijze behandeld, maar zijn aandacht – met het steeds beter beheersen van zijn métier – richt zich langzamerhand op een meer picturale aanpak. Zijn werkwijze, waarbij de toets losser en losser wordt, en het donker kleurgebruik van bruinen, roodbruinen, donkerroden en grijzen opschuift naar een lichter meer blauwgrijs en groengrijs kleurengamma, doen langzamerhand het tekenachtige en de vergaande detaillering verdwijnen.

Zijn eenzijdige gerichtheid op het portretschilderen – gestimuleerd door zijn successen – wordt voortdurend verder uitgebouwd. Zichtbaar gaat hem het portretschilderen steeds gemakkelijker af in die zin, dat zichtbare gelijkenis, psychologische invoeling en het verwerken van eventuele verlangens van de opdrachtgever(s), geen wezenlijk probleem meer vormen. Daarnaast blijft hij toch vrij werk maken in een veelal lossere toets om, zoals hij het zelf uitdrukt, ‘fris’ te kunnen blijven schilderen bij zijn opdrachten, en ‘de verftaal te blijven proeven’. Met het laatste bedoelt hij, dat het schilderen zelf in combinatie met het materiaalgebruik op een voldoende vindingrijk en artistiek peil moet worden gehouden. Hij onderkent dus zelf het gevaar oppervlakkig te worden en louter op routine of op technische vaardigheid te gaan drijven.

Ontegenzeggelijk is Peer van den Molengraft een heel bekwaam en vaardig portretschilder, die met enige keren een paar uur poseren, direct op het linnen, zonder getekende voorstudies, op een vlotte en rake wijze een goedgelijkend portret kan scheppen.

Daarbij speelt het contact, dat met de geportretteerde dient te ontstaan, een wezenlijke rol, want de portretschilder moet al schilderend en pratend in het binnenste van zijn model kunnen kijken èn doordringen, om het verlangde portret een psychologische karakteristiek mee te geven. Zo komt het voor, dat hij de ene keer de geportretteerde raak en artistiek treft, en dat hij een andere keer niet kan doordringen in het wezen van zijn model, bijvoorbeeld als gevolg van een gesloten, gereserveerd karakter. Dan is het resultaat weliswaar een goed gelijkend portret, maar zonder bezieling en zonder een artistieke dimensie. Het is eigenlijk merkwaardig, dat zijn talrijke reizen, die hem de wereld in vele facetten hebben doen leren kennen, nauwelijks, of liever helemaal niet, in zijn officiële en vrije werk doorwerken. Deze reizen hebben een reeks – niet meer te achterhalen – vlot getekende reisimpressies opgeleverd en een paar dozijn doeken, die hij tijdens de reis of naar aanleiding daarvan, heeft vervaardigd.

Ondanks de optimale inzet, waarmee Peer iedere opdracht tegemoet treedt, is zijn werk – het oeuvre overziende – nogal wisselend van kwaliteit. Het resultaat blijkt sterk afhankelijk te zijn van zijn stemming en gemoedstoestand. Het variëren van zijn gemoed – bepaald door spanningen bij hemzelf of in zijn omgeving – werkt zonder meer door in zijn schilderen.

Wanneer hij een in zijn ogen belangrijke opdracht echt goed wil uitvoeren, constateert de goede beschouwer achteraf daarin soms iets geforceerds of krampachtigs. Over het algemeen geldt dit voor iemand, die zijn uiterste best op iets wil doen, maar dat betekent vaak wel, dat het artistiek vermogen wordt beperkt of wordt verkleind. Hoe onbewuster, maar zelfverzekerder de schilder zijn gegeven, zijn object benadert, des te beter zal het schilderij zijn dat ontstaat.

Hoezeer ook het leven van Peer van den Molengraft zich getekend weet door het portretschilderen, toch is het opbouwen en cultiveren van een maatschappelijke positie en een omvangrijke vriendenkring, evenzeer essentieel voor deze gevoelsmens.

Peter Thoben

Eindhoven 1987